Interlex 2.3 VerbsT Roest:translated from verbos by Carlos Córcoles Toledo, Nivel A1Ë aanbellenv.llamar, tocar al timbre aanbieden (bood aan, aangeboden)v.ofrecer, presentar aankledenv.vestir aanpakkenv. tomar, coger aanvragenv.pedir, reservar aanzettenv.encender, poner en marcha adviserenv.aconsejar, asesorar afhandelenv.hacer, resolverbadenv.bañarsebakken (bakte, had gebakken)v.cocer, hacer al horno beantwoordenv.responder, contestarbedienenv.atender, servirbegerenv.querer, desearbeginnenv.empezar, comenzarbehorenv.pertenecer (a)behoudenv.conservar, guardar berichtenv.informar, reportar, narrar bermerkenv. distinguir beschrijvenv. describir besluitenv.decidirbestaanv.existir bestaan (uit)v. constar (de)betalenv.pagar betekenenv.significar, querer decir bezichtigenv.visitar, examinarbezoekenv.visitar, ir a verbij elkaar horenv.hacer juego, hacer parejaboekenv.trans.reservarbouwenv.trans.construir, edificarbrengen (bracht, gebracht)v.traer controlerenv.controlar, inspeccionar corrigerenv.corregirdansenv.bailardenkenv.pensar, creer, opinardiscussieren (over)v.discutir (de/sobre)doen (deed, gedaan)v.hacerdouchenv.ducharsedovenv.apagardragen (droeg, gedragen)v.llevardrinkenv.beberdurenv. durar, tardardweilenv.fregarelkaar ontmoetenv.quedarse eruit zienv.parecereten (at, gegeten)v.comerfietsenv. ir en bici fotograferenv. fotografiar functionerenv. funcionargaan (ging, gegaan)v. ir, andargebeurenv.pasar, ocurrir gebruikenv.usar, utilizar gelijk hebbenv. tener razóngelovenv.creer genoeg zijnv.bastar, ser suficientegeven (gaf, gegeven)v.dargieten (goot, gegoten)v.regar graag willenv.gustar mucho, deseargroeienv.crecer, aumentarhebben (had, gehad)v.trans. tener, haberhelpen (hielp, geholpen)v.ayudarhetenv.intrans.llamarsehorenv.intrans.escuchar houden vanv. querer, amarhuilenv.llorar informerenv. informar(se)inpakkenv.empaquetar, envolver inschakelenv.encender, poner en marchainslapenv.dormirse instappenv. subir, entrar intrekkenv.instalarse (en)kennenv.saber, conocer kennismakenv.conocer (por primera vez)kijkenv.mirarkokenv.cocinar, hervirkomen (kwam, gekomen)v.venirkopenv.comprarkostenv.costarkrijgenv.recibir, obtenerkunnen (kon, gekund)v.poderlachenv.reír(se)laten (liet, gelaten)v.dejarleggenv.tender, depositarlerenv.intrans.aprender, estudiarlevenv.intrans.vivirlezen (las, gelezen)v.intrans.leerliggen (lag, gelegen)v.estar acostado, estar tumbadolopen (liep, gelopen)v.correrluierenv. holgazanear luisterenv.escucharmakenv.trans.hacer meebrengenv.traermeekomenv.acompañar, venirmeenemenv.!llevar (consigo), traer (consigo)merkenv.darse cuenta, notarmeten (mat, gemeten)v.medirmoetenv.deber, tener quemoetenv.deber, querer quemogenv.tener permiso, podernaar beneden vallenv.caerse nodig zijnv. necesitarnoemenv.llamaroefenenv. practicar ontbijtenv. desayunar ontbrekenv.faltar, estar ausente ontmoetenv. encontrarseopbellenv.llamar (por teléfono)openenv.abrirophalenv.trans.recogerophalenv.traer, recogerophouden, stoppenv.terminaroppassenv. tener cuidadoopruimenv.ordenarordenenv.ordenar, poner en orden overdenkenv.pensar, reflexionar overnachtenv.pernoctar, pasar la nocheparkerenv.aparcarpassenv.sentar bien, pegar, encajar pijn doenv.dolerplaatsenv.poner, colocar plaatsvindenv. tener lugar producerenv.producir, fabricarregenenv.lloverreinigenv.limpiarreizenv.viajar reparerenv.arreglar, repararrijden (reed, gereden)v.conducirroepen (riep, geroepen)v.llamarrokenv.fumarruilenv.cambiarruilenv.cambiar, intercambiarschenkenv.regalar, obsequiar schilderenv.pintar schoonmakenv.limpiar, fregarschrijven (schreef, geschreven)v.escribirslapen (sliep, geslapen)v.dormirsmakenv.gustarsnijden (sneed, gesneden)v.cortarspelenv.trans. jugar, tocarspreken (sprak, gesproken)v.hablarspringenv.saltarstaan (stond, gestaan)v.estar de pie, estar derechostemmenv. votar, elegirsterven (stierf, gestorven)v. morir(se)storenv.estorbarstortenv.pagar, ingresarstuderenv.estudiarsturenv.mandar, enviartekenenv.dibujar telefonerenv.intrans.(hablar por teléfono, llamar por teléfonotelevisie kijkenv.ver la tele(visión) terug gevenv.devolvertonenv.mostrar, enseñartrekken (trok, getrokken)v.tirartrouwenv. casarse (con) uitleggenv.explicaruitlenenv.prestar uitnodigenv.invitar uitstappenv. bajar (de) uitvindenv.inventar uitzettenv. apagar, pararvallen (viel, gevallen)v.caer van plan zijnv. tener la intención, pensar hacer verbiedenv.prohibir verdienenv.ganar vergelijkenv.compararvergetenv.olvidar verhuizenv.mudarse, cambiarse de casaverkopenv.venderverkouden zijnv.tener un resfriado verkrijgenv.conseguir, comprarverlatenv.abandonar, salir deverontschuldigenv.disculpar, perdonarverstaan (verstond, verstaan)v.entender, comprender vertellenv.contar, narrar vertrekkenv.salirvertrekken (naar)v. partir (para)vierenv.celebrarvinden (vond, gevonden)v.encontrar, dar convliegen (vloog, gevlogen)v.volarvluchtenv. fluir, correr voorbereidenv.preparar voorbij lopenv.pasar, poder pasar vragen (naar)v.preguntar (por)wachtenv.esperar wakker wordenv.despertar(se) (de)wandelenv. ir a pasearwandelenv.caminar, hacer una excursiónwassenv.lavar wegrijdenv.salir, ponerse en marchawekkenv. despertarwerkenv.intrans.trabajarwillenv.quererwinnen (won, gewonnen)v.ganarwisselenv.cambiar (dinero)wonenv.vivir, habitarzeggenv.trans.decirzich verheugenv. alegrarsezien (zag, gezien)v. ver, mirarzijn (was, geweest)v. ser, estarzingenv.cantarzitten (zat, gezeten)v. estar sentadozoekenv.buscarzwemmen (zwom, gezwommen)v.nadar